Indische Nederlanders

In 1596 kwam de eerste Nederlander aan in Oost-Indië. Na een paar jaar werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht om handel te drijven in de specerijen nootmuskaat, peper en kruidnagel. De VOC richtte hiervoor handelsposten in met name in de kustplaatsen van de verschillende eilanden van Oost-Indië. Na het failliet gaan van de VOC in 1798 zag de Nederlandse staat haar kans om van Oost-Indië een kolonie te maken en nam zij het bestuur over van de VOC.

Koloniaal tijdperk

Het koloniaal tijdperk was begonnen en vanaf dat moment wordt er gesproken over Nederlands-Indië. Tot het jaar 1900 vond veel vermenging plaats met de plaatselijke bevolking. Sommige kinderen, die werden geboren uit een relatie met een ‘inlandse’ vrouw werden officieel erkend door hun Nederlandse vader en kregen hierdoor het Nederlands staatsburgerschap. De niet-erkende kinderen kregen de (Indonesische) status van hun moeder en gingen op in de inheemse samenleving.

Na 1900 kwam hier o.a. door de aanleg van het Suezkanaal verandering in. Steeds meer Nederlandse vrouwen ondernamen de overtocht naar Indië en de Nederlandse gemeenschap in Indië kon daardoor groeien tot een ‘nieuwe’ groep Indische Nederlanders, de zogenoemde totoks; dit waren kinderen van Nederlandse ouders, die geboren en getogen waren in Nederlands-Indië. Om grip te houden op Nederlands Indië als kolonie gingen de beste (bestuurlijke) posities naar mensen, die zich het meest Europees gedroegen of die er het meest Europees uitzagen (blank). Deze vorm van ethische politiek verdeelde de bewoners van Nederlands Indië in drie groepen: de totok Indische Nederlanders, de halfbloed Indische Nederlanders en de Indonesiërs. Naarmate de tijd vorderde, werd het onderscheid tussen deze groepen steeds groter.

Tweede Wereldoorlog en Bersiap

In december 1941 brak de Tweede Wereldoorlog uit in Azië, waarna op 1 maart de bezetting van Nederlands-Indië door de Japanners volgde. Dit was het begin van het einde van de westerse invloed in Indonesië. Alle met Nederland sympathiserende mannen, burger of militair, en jongens vanaf 12 jaar werden opgepakt en moesten het kamp in en/of dwangarbeid verrichten. Met betrekking tot de vrouwen die achterbleven, werd er door de Japanners een duidelijk onderscheid gemaakt tussen totoks en Aziaten; alle totoks vrouwen en kinderen moesten het kamp in. Voor de Indische vrouwen en hun kinderen werden andere criteria gehanteerd. Door huidskleur, positie en achternaam werd beoordeeld of zij het kamp in moesten. Voor de gezinnen buiten het kamp waren de omstandigheden net zo bedroevend. Zij waren hun leven niet zeker en moesten op allerlei manieren proberen aan voedsel te komen om te kunnen overleven. Ontberingen, angst en onzekerheid had een grote impact op allen.

Op 15 augustus 1945 gaven de Japanners zich over, maar de oorlog voor de totoks en de Indische Nederlanders ging gewoon door. Het machtsvacuüm wat hierdoor ontstond werd door Soekarno aangegrepen als het moment om Indonesië tot een onafhankelijke republiek uit te roepen en de onafhankelijkheidstrijd tegen Nederland als kolonie was een feit. Indische Nederlanders werden door veel Indonesiërs geassocieerd met westers, wat synoniem was aan ‘slecht’ voor de onafhankelijkheid van Indonesië. Iedereen die sympathiseerde met Nederland was niet meer veilig. In deze periode zijn er veel onschuldige slachtoffers (vrouwen, kinderen en mannen) gevallen aan zowel Nederlandse als de Indonesische zijde. Uiteindelijk bleek de situatie niet meer houdbaar en werd op 27 december 1949 de Republiek van de Verenigde Staten van Indonesië uitgeroepen. Dit betekende dat men om in Indonesië te mogen blijven moest kiezen voor het Indonesisch staatsburgerschap. Het toekomstperspectief voor deze mensen bleek echter slecht. Koos men niet voor het Indonesisch staatburgerschap, dan was men genoodzaakt om te vertrekken. Het vertrek naar Nederland wordt repatriëring genoemd, wat niet helemaal correct is. Vele Indische Nederlanders waren nog nooit in Nederland geweest en kende Nederland alleen uit de verhalen.

Repatriëring

De repatriëring verliep in 4 golven, waarvan de eerste twee in deze periode: • De eerste golf (1945-1949, 110.000 repatrianten): Na de capitulatie van Japan waren het vooral de Nederlanders die tijdens de Japanse bezetting in kampen gezeten hadden die repatrieerden. De Indische Nederlanders bleven nog. • De 2e golf (1950-1951, 81.000 repatrianten): Na de soevereiniteits- overdracht aan Indonesië vertrokken bestuursambtenaren, politie- apparaat, rechterlijke macht en leger naar Nederland. Na de opheffing van het KNIL in juli 1950 vertrokken ook veel ex-KNIL-militairen, waaronder 4.000 Molukkers met hun gezinnen en vele Belanda Hitam, KNIL-soldaten van Afrikaanse afkomst. • De 3e golf (1952-1957, 79.000 repatrianten): de leefomstandigheden in Indonesië waren slecht en de toekomst zag er niet goed uit. Naast de repatrianten kwamen ook de zogenaamde spijtoptanten, mensen die na de soevereiniteitsoverdracht hadden gekozen voor het Indonesische staatsburgerschap, terug op hun keuze en vertrokken alsnog naar Nederland. • De 4e golf, (1958 -1964, 67.000 repatrianten): in verband met de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië werden alle nog op Nieuw-Guinea verblijvende Nederlanders geëvacueerd. Naar aanleiding van de Nieuw-Guinea-kwestie, werden Nederlanders tot ongewenst vreemdeling verklaard. Ook in de periode van het zogenaamde UNTEA-bestuur kwam een groep van ongeveer 500 Papoea's met hun gezinnen naar Nederland, waarvan de mannen in overheidsdienst waren en als zodanig niet in Nieuw-Guinea konden blijven.

Als gevolg van de assimilatiepolitiek van Nederland werd getracht de Indische Nederlanders zoveel mogelijk door Nederland te verspreiden. Zij kwamen tijdelijk te wonen in o.a. de zgn. contractpensions, doorgangskampen en leegstaande vakantieverblijven. Op het moment dat de Nederlandse staat vond dat men genoeg geassimileerd was, kwam men in aanmerking voor zelfstandige huisvesting. Voor vele Indische Nederlanders was het al gauw duidelijk dat Nederland het land was waar zij opnieuw moesten beginnen. Het feit dat teruggaan geen optie, maakte Indische Nederlanders meester in het creëren van twee werelden. De wereld waarin zij zichzelf kon zijn en de wereld waarin zij dat gedrag liet zien wat van hen verwacht werd. Sommige Indische Nederlanders konden niet in Nederland wennen en vertrokken naar Amerika en Canada.

Met het ouder worden blijkt dat Indische ouderen niet meer de energie kunnen opbrengen om zich in twee werelden te verplaatsen en is er alleen maar plaats voor één wereld. Een wereld waarin zij zich niet hoeven aan te passen en waar zij zichzelf kunnen zijn.

Voor meer informatie over de opvang van Indische Nederlanders in Breda verwijzen wij graag naar de film ‘Een andere warmte’ te zien op YouTube.


LAATSTE NIEUWS
10 juli 2017

Uitnodiging Indië-Herdenking - ... zoveel niet verteld ...

Ter nagedachtenis aan alle mannen, vrouwen en kinderen die gestorven zijn ten gevolge van de Japanse..

Lees verder
10 juli 2017

Herdenking Birma Siam en Pakan Baroe Spoorweg

Zaterdag 19 augustus, 11:00 uur Landgoed Bronbeek, Velperweg 147 in Arnhem..

Lees verder